Natuur en Landbouw

Avontuurlijk fruit

Alsof je een andere wereld binnenstapt 's zaterdags op de biologische boerenmarkt in Amsterdam. Er hangt een mediterane sfeer van overvloed. Bij de ingang ruikt het ouderwets naar fruit. De fruitkraam van de Sterrengaard is één mozaiek van appels, peren en pruimen. De oude fruitrassen die de supermarkten niet meer kennen, gaan hier grif van de hand. Alles van hoogstambomen. "Laagstamfruit is ook fruit, maar ik word er niet warm van. Ik wil niet het gevoel hebben dat ik aan de lopende band sta. Contact, schoonheid en avontuur, daar leef ik voor."

Mooie namen! Bloemee, Zoete Aagt, Willamspeer, Sterappel, Groninger Kroon en Winterjan. Allemaal oude rassen die alleen gedijen op hoogstam. Zelfs biologische fruittelers gaan tegenwoordig voor ' opschaling', laagstambomen en een beperkt aantal fruitrassen. Wat trekt je zo in die oude rassen?

 "De afgelopen decennia heeft men in de fruitteelt niet geselecteerd op aroma, maar op productie,  bewaarbaarheid en een eenzijdige smaak. Zoet-zuur zou het het beste doen op de Nederlandse markt, met als resultaat overwegend Jonagold en Elstar. Zelfs een geurende appel als James Grieve is tegenwoordig nauwelijks nog te krijgen. Blijkbaar wil de handel er niet meer aan. Het levert te weinig op. Maar oude fruitrassen hebben dat typische aroma, dat sommige mensen zich nog van vroeger herinneren. Als wij Lemoenappels staan te sorteren, dan rúik je dat. Elstar ruikt nergens naar. Al achttien jaren telen we op de Sterregaard zo'n 45 soorten appels, 20 soorten peren, 20 soorten pruimen, 8 soorten kersen. We hebben ook 'echte' kwetsen met hun typisch langwerpige pit, die teelt verder niemand meer. Allemaal hoogstam. Zelfs in de biologische fruitteelt is dat wel bijzonder, ja."

 

 Al die oude rassen, dat vereist wel een hoop kennis.

"Als kind uit de Betuwe ging ik al met mijn moeder mee om te plukken. Toen ik op de tuinbouwschool zat, werkte ik na schooltijd en in de vakanties ook altijd in het fruit: dunnen, snoeien, takken uitbuigen. In die tijd waren er nog steeds wel hoogstamboomgaarden, maar bijna niet meer voor de productie. Er liepen wat schapen onder te grazen. Het meeste heb ik geleerd op de veiling in Tiel, van een oude koelhuischef. Hij had al die oude rassen meegemaakt en zien verdwijnen. Als ik dan bij die man kwam met een appel uit zo'n verwaarloosde boomgaard, wist hij altijd precies te vertellen welk ras het was en wat de bijzonderheden waren. Toen ik eenmaal zelf een bedrijf had kwam A. van Frankenhuyzen bij mij 'beestjes kijken'. Frankenhuyzen was de emiritus grise van de gewasbescherming en haalde bij ons in de Sterregaard zijn hart op. Hij is inmiddels overleden. Hij heeft mij verschillende van zijn boeken nagelaten, waaronder één met beschrijvingen van oude rassen."  

 

Voor de meeste gangbare landbouwers geldt: uiterlijke kwaliteit, winst en gemak. Wat geeft bij jou de doorslag, wat is jouw kick? 

"Kijk, met een plukemmer om je nek, op een ladder met 30 sporten, reikend naar de appels aan die ene tak, dat is eerder een kwestie van 'appeltjes veroveren' dan gewoon gedachtenloos mechanisch plukken. Hoogstamfruit is veel avontuurlijker. Ik wil niet het gevoel hebben dat ik aan een lopende band sta. Elk ras is een verhaal apart. Neem nu Sterappels. Die oogst je als ze nog helemaal groen zijn. Normaal laten we fruit aan het hout rijpen, maar als je Sterappels plukt als ze helemaal rood aan de boom hangen zijn ze melig, té rijp. In de boomgaard spreiden we de groene appels uit op stro. In totaal worden ze daarna zo'n vijf keer gekeerd, want van onderen worden ze anders niet rood. Van één hectare oogsten we 1.200 kilo. Dat is niets vergeleken bij een hectare laagstam Elstar: 30.000 kilo. Maar dat weegt niet op tegen de smaak en het plezier. In de zomer vragen klanten gretig: 'Heb je al Sterappels?'

Het contact met klanten is ook heel bijzonder. Er zijn klanten die komen speciaal voor Williamsperen of Bramley's en die houd ik dan voor ze apart. De dialoog aan de kraam vind ik prachtig. Vaak komen mensen bij me met een appel of een peer uit een prive-tuin. Ik kan ze dan vertellen wat het is of waar ze een boom van dat ras nog kunnen kopen of hoe ze hem moeten snoeien. Jaren later komen ze langs om over hun inmiddels volwassen bomen te vertellen. Dat geeft een band."

 

Hoe doe je dat dan met onderhoud? Hoogstam is toch veel meer werk?

"Oude rassen zijn meer met zichzelf in evenwicht, ze zijn weerbaarder. Bij de gangbare rassen moet je er als kweker bovenop zitten met de gifspuit. Ik spuit helemaal niet of alleen in de beginjaren. Snoeien doen we natuurlijk wel. Dat is fantastisch, je zit dan middenin de boom, de boom omhult je als het ware. Door te snoeien kun je oude of zieke delen weghalen en de groei stimuleren of juist afremmen. Door goed te snoeien bewaar je ze voor de ondergang. Als boomrestaurateur knapte ik bij particulieren vroeger vaak oude bomen op. Inmiddels doet iemand anders dat, die heb ik opgeleid. Laagtstambomen passen bij een weggooimentaliteit. Na 10-12 jaar zijn ze op, worden ze gerooid. De hoogstambomen die ik plant produceren in principe over 100 jaar nog. Alleen al van het idee, daar geniet ik van."

 

Een onbescheiden vraag misschien, maar kun je daar nou met je gezin van leven?

Hier op de biologische boerenmarkt kunnen we het fruit niet genoeg aanslepen. Het is natuurlijk geen vetpot, want onze opbrengsten zijn veel lager. Maar toch zijn we 'rijk'. Trouwens, ook als we er niet van zouden kunnen rondkomen zou ik het toch nooit anders doen. Liever zou ik dan een bijbaantje als postbode nemen dan dat ik een paar hectare laagstamfruit zou gaan verbouwen. Ik geniet er van dat ik iets doe wat bijna niemand meer doet. Het is mijn vak, noem het een roeping, om dat door te geven, levend te houden.

 


Janneke Donkerlo  Onderzoekende journalistiek  M 06 26898775  E   KVK 34368041

©2017