Natuur en Landbouw

Duurzame cacao is louter business

Er dreigt een tekort aan cacaobonen. Uit zelfbehoud investeert de cacaosector in verduurzaming van de teelt. Maar de vakbond vreest dat dit leidt tot meer kindslavernij.

Uit een buis aan het begin van de lange fabriekshal stroomt een lichtbruine substantie die zich verspreidt over een brede lopende band. Meteen daarna vloeit uit een andere buis een karamelgele massa die bovenop de eerst laag belandt. Voilà, de vulling van een Marsreep in gigaformaat. De dikke plak glijdt verder over de band tot aan de guillotine die – tjak tjak tjak – de vulling onbarmhartig in kleine stukjes kloont. Deze stukjes krijgen verderop in een speciaal bad, zowel van onder als van boven, een chocoladehuidje.

Vervolgens blaast een apparaat een ribbelstructuurtje op de bovenkant, waarna de nu als zodanig herkenbare Marsrepen zich verspreiden over talloze smalle loopbandjes. Als zenuwachtige muisjes hobbelen ze voort,op weg naar hun eindbestemming: de verpakking.

De grootste chocoladefabriek ter wereld staat in het Brabantse Veghel. Jaarlijks rollen er 8,5miljard repen van de band. Allemaal Marsen, Bounty’s, Snickers, Twixen die de multinational Mars produceert voor de wereldmarkt. Daar is veel cacao voor nodig, 24 uur per dag, zeven dagen per week. Mars is een van de grootste afnemers van cacao: 450.000 ton in 2012.

Nederland speelt een grote rol in de cacao-industrie. Amsterdam is de grootste overslaghaven voor cacao, er werken duizenden mensen in de haven, in de pakhuizen, bij de verwerkers en de uiteindelijke chocoladeproducenten. De meeste chocola wordt geproduceerd in Europa en de Verenigde Staten. Ook andere bedrijven hebben belang bij een betrouwbare aanvoer.

De cacao-industrie maakt zich echter al een tijdje ernstig zorgen. De vraag naar chocola neemt jaarlijks toe met 2 tot 3 procent, met name door toenemende consumptie in China. Maar de huidige behoefte van 4 miljoen ton wordt niet gehaald. Over tien jaar is naar verwachting wereldwijd een miljoen ton méér cacao nodig. Waar moet de industrie die extra bonen vandaan halen?

Meer dan de helft van de cacao komt momenteel uit Ghana en Ivoorkust. Het aantal cacaoboeren neemt echter snel af. De ooit zo productieve bomen die massaal waren geplant in de jaren zeventig, zijn verouderd. De nooit bemeste bodems zijn uitgeput, waardoor een schimmelziekte als Black Pod welig tiert en de oogst aantast. Een boer kan maar een paar hectare cacao verbouwen en produceert te weinig om er een inkomen aan over te houden waarvan hij kan leven – zelfs nu de wereldmarktprijs hoog is. Jongeren beschouwen de cacaoteelt als iets sufs van de vorige generatie. Als het zo doorgaat zijn er van de drie miljoen cacaoboeren over tien jaar nog maar twee miljoen over.

Uit zelfbehoud investeren daarom zowel de verwerkers als de eindproducenten in wat zij noemen „de verduurzaming” van de cacaoteelt. Mars is de grootste en heeft in 2007 het voortouw genomen. Van Grinsven is directeur verduurzaming bij Mars International. „Wat wij verstaan onder duurzaamheid is een ‘robuust landbouwsysteem’, met professionele mensen die kiezen voor het boerenberoep in een leefbaar dorp met voldoende voorzieningen. Voorop daarbij staat economische zelfstandigheid. Wij willen de mensen leren hoe je meer kunt verdienen met een hogere opbrengst van een betere kwaliteit. Boeren kunnen hun cacao-oogst in een paar jaar tijd verhogen van de huidige 400 naar 1.200 à 1.500 kilogram per hectare en dan praat je over een inkomen van 3.000 tot 4.000 dollar per jaar.”

De ervaring leert dat een boer in Afrika met een inkomen vanminimaal 2.200 dollar (6 dollar per dag) voldoende verdient om een gezin te voeden, te huisvesten en de kinderen naar school te sturen. ‘Duurzaam’ is voor Mars niet hetzelfde als ‘biologisch’. Het gebruik van kunstmest en pesticiden is volgens Van Grinsven onontbeerlijk. „Natuurlijk moet je dat met beleid doen. Stikstof moet je nauwelijks gebruiken, want dan krijg je te veel blad en te weinig vruchten. Beter is het om meststoffen met veel kalk toe te passen. Daarmee maak je de grond minder zuur en krijgen ziektes minder kans. Pesticiden zijn dan nog wel nodig, maar veel minder – en het mogen zeker geen verboden middelen zijn. Met deze aanpak hopen we het kappen van het resterende bos te kunnen voorkomen.”

Mars werkt nauw samen met non-profit organisatie Solidaridad. Hans Perk is directeur Solidaridad in West-Afrika. Vanuit Ghana vertelt hij per Skype: „Duurzaamheid werd lange tijd als een vreemd beestje beschouwd. Hoe vaak denk je dat voorheen op bestuursniveau hierover gesproken werd? Misschien hooguit eenmaal per maand. Maar het onderwerp ‘inkoop’ komt dagelijks ter sprake. Als je zegt: ‘Hee hallo, maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat over het voortbestaan van het bedrijf’, dan staat duurzaamheid opeens gelijk aan: zorgen dat je genoeg bonen krijgt. Gewoon business dus.”

Als de productie toeneemt, zullen de prijzen naar verwachting dalen, maar dat is, volgens Van Grinsven, niet waar het concern direct op zit te wachten. „Als de prijzen te laag worden, krijgen we weer hetzelfde probleem als nu: verwaarloosde plantages en boeren die afhaken. Ons primaire doel is dat de boeren boer blijven, en aan onze vraag kunnen blijven voldoen. Cacao is tenslotte onze license to operate. Als alle boeren genoeg verdienen met cacao, kunnen ze daarnaast voedsel of andere cash crops verbouwen.”

Julie Schouten, bestuurder van de vakbond FNV Bondgenoten, voorziet twee heel andere scenario’s. „Om te beginnen pakt de industrie de gemakkelijkste weg. Ze trainen de boeren die het gemakkelijkst te bereiken zijn. Dat zag je ook in de documentaire For the love of chocolate met Katja Schuurman. In eerste instantie zal een groot aantal boeren meer verbouwen en ook meer gaan verdienen. Maar daarna zullen bedrijven zich terugtrekken en ongeveer de helft van de boeren zal marginaliseren. Want waarom zou je meermensen trainen als je al genoeg hebt? Daar komt bij dat in Vietnam momenteel veel jonge cacao wordt aangeplant. En ook Indonesië heeft nog een groot potentieel. Als daar over tien jaar de vruchten van geplukt worden, kan het marktaandeel uit Afrika omlaag. Voor de boeren die beter produceren dalen dan de prijzen; de andere, ongetrainde helft, kan het verder wel schudden.”

Volgens Van Grinsven van Mars zal het zo’n vaart niet lopen: „De vraag naar chocola groeit, dus we moeten zo veel mogelijk boeren meekrijgen. Cacao telen is arbeidsintensief. Als je boeren in Afrika een perspectief biedt, zullen ze eerder boer blijven. In Aziatische landen hebben mensen meer keuzes.”

Daar zit voor Schouten van de FNVbond het tweede pijnpunt: het arbeidsintensieve werk en de kindslavernij. Onder dreiging van een Amerikaanse cacaoboycot uit Afrika, tekenden de multinationals tien jaar geleden het zogenoemde Harkin- Engel protocol. In dit protocol committeert de sector zich aan het uitroeien van de ergste vormen van kinderarbeid en kindslavernij. Onderzoek heeft onlangs uitgewezen dat er nog weinig is veranderd. Schouten: „Als de cacaoteelt nog arbeidsintensiever wordt, is het waarschijnlijk dat ook de kindslavernij toeneemt.”

Perk van Solidaridad nuanceert enigszins het beeld van de kindslavernij: „Er is sprake van kinderarbeid. Maar veel mensen die Afrika niet kennen, denken daarbij aan plantages waar grote aantallen kinderen worden vastgehouden en afgeranseld. Dat ben ik zelf in ieder geval in de drie jaar dat ik hier woon nog nooit tegengekomen.”

Schouten briest door de telefoon: „Dan liegt hij. Er worden nog steeds kinderen uit Mali en Burkina Fasso gehaald om bij migrantenfamilies in Ivoorkust te komen werken. Er zijn talloze campagnes gestart om kinderarbeid te ontmoedigen. Zelfs de Ivoriaanse overheid heeft voorlichtingsmateriaal verspreid om te voorkomen dat kinderen worden geronseld of van school worden gehaald om zwaar en gevaarlijk werk te doen. Een twaalfjarige moet geen zware zakken sjouwen en met kapmessen werken. De Ghanese vakbond GAWU lobbyt bij de sector voor child labour free zones. Maar het gaat nog steeds veel te langzaam.”

Juist om te controleren dat het milieu en de mensen worden ontzien, legt Mars de nadruk op het belang van certificering. Van Grinsven: „Alleen als bedrijven dezelfde criteria volgen, kunnen we de cacaoteelt gezamenlijk sterker maken. Dat is voor ons belangrijk, want iedereen zal zijn steentje moeten bijdragen.”

Boeren kunnen kiezen uit drie certificaten: Rainforest Alliance, UTZ Certified en Max Havelaar. Perk: „We hebben een basismodule ontwikkeld, waarbij 80 procent van de training is gericht op agronomische aspecten; die is voor alle certificaten gelijk. We certificeren coöperaties en boerengroepen; geen individuele boeren, dat zou te duur voor hen zijn. Elk jaar vindt een audit plaats door een onafhankelijke derde partij waarbij wordt gecontroleerd of aan alle voorwaarden is voldaan. Maar uiteindelijk, als de cacaoteelt op een hoger plan is gekomen, zullen de certificaten verdwijnen. Certificering is een middel, geen doel op zich. Maar voorlopig is het net als in de vroegere reclame van Croma: ‘Je moet er wel even bij blijven’.”

De Europese vakbonden pleiten sinds 2009 voor een Duurzaamheidsfonds dat boeren meer macht geeft, buiten corrupte overheden en cacaoproducenten die kinderen uitbuiten. Schouten: „Door een heffing op elke ton cacaobonen, komt structureel geld vrij dat boeren kunnen inzetten voor de ontwikkeling van hun gemeenschap. ”

Verwerkers zijn echter nog niet akkoord gegaan en hoe de geldstroom zal moeten lopen, is volgens Schouten momenteel nog onduidelijk. „In 2014, tijdens de tweede Global Cocoa Conference in Nederland, gaan we er verder over praten.”


Janneke Donkerlo  Onderzoekende journalistiek  M 06 26898775  E   KVK 34368041

©2017