Natuur en Landbouw

Inburgeringstoets voor vleeskuikens

 Niet alleen wereldwijd maar ook op hun eigen markt moeten Nederlandse pluimveehouders concurreren met collega-bedrijven in Thailand, Brazilië en Oekraïne. Die landen stellen minder hoge eisen  aan dierenwelzijn en kunnen  daarom – ondanks importtarieven – goedkoper vlees leveren. Tegelijkertijd willen dierenwelzijnsorganisaties dat er alleen vlees in het schap ligt van kippen met het Beter Leven Keurmerk, die zowel binnen als buiten ruimschoots kunnen scharrelen. Janneke Donkerlo onderzocht of dit keurmerk wettelijk verplicht kan worden, ook voor kippenvlees van elders.

Janneke Donkerlo 

Op het betonnen erf van pluimveehouder Dick Schieven is geen scharrelende kip te bekennen, maar bij het betreden van een van de vijf schuren staan we opeens midden tussen zo'n twintigduizend witte vleeskuikens. Ze scharrelen er lustig op los, met een scheef kopje zoekend tussen de restanten van de strobalen die ze aan het begin van hun verblijf in de stal hebben meegekregen. Water kunnen de kuikens naar believen drinken uit bakjes met nippels die aan lange buizen op kophoogte hangen. Soms gaan ze even op de grond zitten. Ze zijn bijna rijp voor de slacht: over 10 dagen hebben ze 50 dagen geleefd en zit er genoeg vlees op de botten. Je kunt dan nog niet zien of het een haantje of een hennetje is. Dat geldt overigens ook voor de 'kip' van een biologische bedrijf: een volwassen kip of haan wordt het nooit.

De ouders van Schieven kochten in 1994 het bedrijf in het Achterhoekse Zieuwent. Schieven: 'Daarvoor hadden we ook nog zeugen en koeien. Dat was wel afwisselend, maar ook erg bewerkelijk. Hier konden we van 16.000 naar 125.000 vleeskippen. We hebben toen veel geautomatiseerd en verbeterd, zoals beter klimaat in de stallen waardoor dieren minder snel ziek worden.'

Lekker scharrelen

Aan het begin van de keten krijgt Schieven van een vast broedbedrijf gele kuikentjes aangeleverd. Hij fokt ze op waarna hij ze laat ophalen door een transportbedrijf dat de dieren aflevert aan een vast slacht- en vleesverwerkingsbedrijf. Dit bedrijf levert vooral aan Jumbo. Boeren die voor concurrent Albert Heijn en andere supermarkten fokken, werken min of meer volgens eenzelfde stramien.

Onder druk van dierenwelzijnsorganisaties hebben marktleiders Jumbo en Albert Heijn besloten vanaf volgend jaar alleen nog maar vlees van langzaam groeiende kippen te verkopen. Sinds kort werkt Schieven daarom met het ras Hubbaard 757: 'Er lopen hier nu 13 kuikens op een vierkante meter. Vroeger was dat bijna het dubbele,' vertelt hij. 'Ik leg balen stro neer die ze als afleiding uit elkaar kunnen plukken. Na verloop van tijd ligt al het stro verspreid door de stal. Handmatig strooi ik vanaf de vijftiende dag regelmatig graan over het stro, waardoor ze blijven scharrelen. En tot slot krijgen ze daglicht via kokers in de nok van het dak.'

De kippen van Schieven hebben weliswaar dezelfde hoeveelheid ruimte die staat voor 1 ster van het Beter Leven Keurmerk, maar ze missen een overdekte uitloop waardoor ze niet in aanmerking komen voor die ene ster. Een buitenruimte zou een extra investering vergen van enkele tonnen per schuur. De Dierenbescherming zou het liefst helemaal af willen van de intensieve veehouderij, maar begrijpt ook wel dat het vlees dan onbetaalbaar zou zijn. Een hele biologische kip ligt nu voor ca. 25 euro in het schap.

Wat zegt de wet?

Wettelijk gezien doet Schieven al meer dan het Nederlandse Vleeskuikenbesluit – conform de EU-eisen – voorschrijft. De gangbare kip (zie keurmerkenoverzicht) voldoet al aan de EU-normen. Zo moeten de dieren gevrijwaard zijn van:

a. dorst, honger en onjuiste voeding;

b. fysiek en fysiologisch ongerief;

c. pijn, verwonding en ziektes;

d. angst en chronische stress;

e. beperking van hun natuurlijk gedrag;

Maar wat is natuurlijk gedrag? Volgens Elsbeth Stassen van de WUR is het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming een garantie dat het industriële vleeskuiken niet beperkt wordt in zijn natuurlijke gedrag. Stassen: 'Een kip is van oorsprong een bosdier dat wil scharrelen en beschutting zoekt bij naderend onheil, bijvoorbeeld een roofvogel. Een onbedekte uitloop moet daarom wel meer zijn dan een weiland.  Zo'n uitloop betekent overigens ook meer risico op infecties zoals wormen en vogelpest. En de kans daarop wordt nog eens vergroot doordat ze – als langzamere groeiers – iets langer leven. Maar het belangrijkste is dat ze lekker kunnen scharrelen, af en toe een stofbad kunnen nemen en zoveel mogelijk ruimte hebben.'

Dumping

Een van de redenen waarom het zo lastig is voor pluimveehouders om betaalbare kippenvlees met zelfs maar 1 ster te leveren, is dat Nederlanders vooral kipfilet eten. De schouders, vleugels of poten blieven ze in mindere mate. Weggooien kan prijstechnisch niet. De resterende kipdelen exporteert de Nederlandse pluimveehouderij daarom grotendeels naar landen buiten de EU en daar moet Nederland concurreren met landen als Thailand, Brazilië en Oekraïne die het minder nauw nemen met dierenwelzijn. Overigens heeft de dumping van Nederlandse restonderdelen in Ghana ertoe geleid dat daar de lokale pluimveehouderij is verdwenen (maar dat is weer een ander verhaal).

Ironisch genoeg betekent de voorkeur van consumenten voor kipfilets, dat de Nederlandse pluimveehouderij zelf bij lange na niet kan voldoen aan de Nederlandse vraag. Terwijl Nederland 70% van de gefokte pluimveevlees dus exporteert, importeert de vleesindustrie 60% kipfilets uit het buitenland, en dan weer vooral uit niet EU-landen.

Verboden toegang

Het niveau van dierenwelzijn in landen buiten de EU laat zich raden. Pluimveevlees van buiten de EU wordt weliswaar gecontroleerd door de Border Inspection Post (BIP) – en officieel moet het vlees van deze dieren voldoen aan de Europese eisen voor voedselveiligheid – maar als het op dierenwelzijn aankomt, wordt dat lastig. Daar controleert de BIP niet op. In de uitzending van De Keuringsdienst van Waarde van april jl. over kippenvlees uit Thailand, krijgen de journalisten wel toegang tot de verwerkingshal, maar niet tot het deel waar de kippen gehouden worden. Landen als Thailand en de Oekraïne kunnen niet alleen concurreren op lager dierenwelzijn, ook de lonen zijn lager en de grond en het voer zijn goedkoper. Zelfs als je de hoge importheffingen meerekent, is export voor deze landen daarom nog steeds lucratief. 

Niet alleen voor hen trouwens. Veel Europese pluimveehouders zouden willen dat de herkomst van hun producten op de verpakking staat (in Frankrijk en Duitsland doen ze dat al), maar de verwerkende industrie en de retail zitten daar niet om te springen. Met het geïmporteerde vlees kunnen ze namelijk meer winst maken. Op ruim vierhonderd pluimveehouders in Nederland zijn er maar enkele vleeswerkende bedrijven en supermarktketens. De laatste twee hebben de meeste macht. Intussen hebben Nederlandse consumenten vaak niet in de gaten waar hun vlees vandaan komt. Officieel moet dat wel als het gaat om vers vlees van buiten de EU, maar in de praktijk is deze verplichting gemakkelijk te omzeilen. 

Bovenwettelijke normen

Stel dat Nederlandse pluimveehouders geleidelijk – zeg in tien jaar tijd – verplicht zouden worden vleeskuikens met minimaal 1 ster te leveren. En dat ook het geïmporteerde vlees hieraan moet voldoen? Gecombineerd met herkomstetikettering en een campagne om Nederlanders vooral ook de pootjes, nekjes en vleugeltjes van de kip te laten eten. Wat zou het effect dan zijn op prijs, export en innovatie? We weten het niet, want daar is nooit onderzoek naar gedaan.

Stel dat het gunstig zou zijn voor het welzijn van de kip die de Nederlander consumeert, mag de overheid dan normen voor dierenwelzijn stellen die uitstijgen boven die van de EU? Volgens Hans Vedder, docent Economisch en Europees Recht aan de Universiteit van Groningen, is het antwoord: 'Ja, dat mag. Mits het niet een manier is om onderling prijsafspraken te maken, want dan krijg je te maken met het mededingingsrecht.'

Ook de WTO verbiedt geenszins het stellen van afwijkende normen door landen, ook al willen de voorstanders van handelsverdragen ons anders doen geloven. De EU stelt nu op mondiaal niveau eigen eisen als het gaat om voedselveiligheid. Sterker nog, Nederland heeft voor de Nederlandse pluimveehouders bovenwettelijke maatregelen verplicht gesteld voor het tegengaan van voetzoollaesie, een ontsteking van de poten die ontstaat bij een te natte ondergrond.

Zelfs binnen Nederland zijn er provincies die –  onder druk van de lokale bevolking – extra eisen stellen. Zo hanteert Brabant vanaf 2015 de zogenaamde Brabantse Zorgvuldigheidsscore en Gelderland voert per 1 januari 2017 het Gelderse Plussenbeleid. Deze eisen gelden op dit moment overigens alleen voor veehouders die willen uitbreiden of verhuizen. Die kunnen 'punten' verdienen door beter te scoren op onder meer dierenwelzijn. En anders kunnen ze eenvoudigweg naar hun vergunning fluiten. Het is dus wel degelijk mogelijk om – zelfs op provinciaal niveau – duurzaamheidsregels te maken.

Boerenwelzijn

In de schuur van Schieven is een kip bovenop een van de waterbuizen gaan zitten. Het dier heeft een dikke krop en ziet er wat treurig uit. Schieven: 'Door op de buis te gaan zitten, zondert ze zich af van haar soortgenoten. Ik kijk het nog even aan, maar als ze niet opknapt, haal ik haar weg.' Hoewel de kippen van elk ras – ook die van de robuuste – ziek kunnen worden en goede verzorging nodig hebben, is Schieven tevreden met de overstap naar de Hubbaard 757: 'Ze hebben natuurlijk wel meer voer nodig, en dat is misschien weer niet goed voor het milieu. Maar voor mezelf is dit ras ook prettiger: minder kippen op een vierkante meter werkt veel relaxter.'

Voedingscentrum_overzicht_typen_kippenwelzijn_kopie 

Bijschrift: De consument kan nu in principe kiezen uit zes soorten kippenvlees, waarvan de laatste vijf verder gaan dan wettelijk vereist. De gangbare kip heeft Wakker Dier geframed als de Plofkip. De AH-kip en de Nieuwe Standaard kip van Jumbo noemt de organisatie nog de Flopkip.


Janneke Donkerlo  Onderzoekende journalistiek  M 06 26898775  E   KVK 34368041

©2018