Natuur en Landbouw

Meer dan een ham op pootjes

Varkens kunnen meer dan voer omzetten in vlees. Als natuurbeheerder zorgen ze voor meer biodiversiteit en voor de afdeling groenbeheer pakken ze lastige exoten aan. Probleem is echter dat de regelgeving niet is afgestemd op buitenvarkens. Janneke Donkerlo ging op onderzoek uit en knuffelde en passant een romig ruikend varken.

‘Kom maar, vrouw’, zegt bosboer Marcel Sneek, niet tegen mij maar tegen het varken dat nieuwsgierig aan komt lopen. Ik buig me voorover om het dier te aaien. Aanhalig leunt ze tegen mijn benen. Ik ga op de grond zitten om op ooghoogte te komen. Nieuwsgierig kijken we elkaar aan. Ik mag mijn neus zelfs in haar ruige roodharige vacht steken. Hee, geen stank, eerder iets romigs. Dan gaat ze op haar rug liggen zodat ik haar tussen de voorpoten kan kroelen. Als ze daar na een tijdje genoeg van heeft, staat ze op om verderop naar eten te zoeken.

Tussen de bomen van het bosperceel in het Friese Ravenswoude scharrelt en wroet een dertigtal zeugen, biggen en volwassen Tamworth varkens. Het is een warme dag in de herfst. Regelmatig stapt een van de beesten verzaligd in een plastic kratje met water om af te koelen. Verderop liggen enkele exemplaren knorrend tegen elkaar aan in een ondiepe kuil. Een toom biggetjes rent gillend achter hun moeder aan totdat zij op haar zij gaat liggen en haar spenen aanbiedt. Never a dull moment: het leven van de bosvarkens is één doorlopende voorstelling.

Het Tamworth varken is een oud Engels ras. Het zijn compacte dieren met een dikke nek en een ‘stalen’ neus waarmee ze uitstekend de grond kunnen omwoelen. Hun dieet bestaat voornamelijk uit wat ze ter plekke vinden: kruiden, wortels en insecten. Ze zijn het hele jaar door buiten; slapen en schuilen doen ze in ondiepe kuilen of in lage ronde hutjes. Ook het werpen en zogen doen de zeugen in de vrije natuur. Na vier maanden worden de mannelijke biggen in een apart gebied gezet om inteelt te voorkomen. Een afrastering met schrikdraad voorkomt dat ze gaan dwalen.

Vijfsterrenbestaan

De varkens in Ravenswoude hebben het predicaat vijfsterrenvarken van de stichting Varkens in Nood. Nederland telt circa dertig vijfsterren varkensboeren. Bij hen leven alle varkens in een natuurlijke omgeving, worden jonge biggen niet weggehaald bij de moeder en kunnen ze buiten spelen en wroeten. De varkens in Ravenswoude zijn eigendom van Richard Pelt, Marcel Sneek, Mariska Slot. Pelt begon in 2010, na 15 jaar bij de politie gewerkt te hebben, met het houden van runderen in natuurgebieden. In 2015 tikte hij een koppel Tamworth varkens op de kop. In datzelfde jaar begon hij samen met Sneek en Slot de stichting Boeren in het Bos, met als doel ‘natuurlijke landbouw’ (zie kader Voedselbossen). De stichting heeft momenteel 140 dieren inclusief biggen.

Ook de varkens van Ben Bruurs van De Elshorst in het Brabantse Baarschot leiden een vijfsterrenbestaan. Bruurs werkt met de Topig 50 in een eigen kruising met het Belgische Piétrain-ras. Zijn ouders hadden vroeger een gemengd bedrijf met gangbare varkens. Toen Bruurs het bedrijf overnam, moest hij kiezen voor intensivering, maar kleinschaligheid sprak hem meer aan. Inmiddels mest hij jaarlijks zo’n 1.500 varkens met 75 zeugen die per jaar tweemaal tien biggen grootbrengen; gemiddeld slacht hij 30 varkens per week. Zijn dieren lopen op gronden met natuurdoelen en op 12 hectare eigen grond waar ze overnachten in plaggenhutten en verplaatsbare schuilhutten. Anders dan de boeren in Ravenswoude, houdt Bruurs de dieren tijdens het werpen wel op stal. Pas na twaalf weken mogen de biggen naar buiten.

Bruurs begon zeven jaar geleden met acht biggen in een weiland. Consumenten konden inschrijven op het vlees. Zijn boodschap was: om één varken een buitenleven te geven, zijn acht klanten nodig. Die boodschap sloeg aan, waardoor de verkoop steeg en dus ook het aantal buitenvarkens. Momenteel is de vraag zelfs groter dan het aanbod Bruurs: “Het verdienmodel is heel simpel: we werken met een korte keten; alleen de boer en de slager verdienen aan het vlees. Sinds zeven jaar lever ik niet meer aan de industrie, maar verkoop het vlees via kwaliteitsslagers, streekwinkels, restaurants en de eigen webshop.”

Lagere kosten

De onkosten voor het houden van buitenvarkens zijn relatief laag: er zijn geen grote, dure stallen nodig, het medicijngebruik is minimaal en het voer wroeten de varkens grotendeels zelf uit de grond. Bijvoeren is nog wel nodig, vooral in de winter. Dat extra voer kan bestaan uit reststromen van bijvoorbeeld bieten, pompoenen, mais, schroot van Franse zonnebloemen en – voorlopig bij gebrek aan een beter alternatief - brokken van soja en palmolie.

Hoewel de kosten lager zijn, moeten de boeren voor een modaal inkomen wel meer ijzers in het vuur houden (dat geldt overigens ook voor veel gangbare veeboeren). Zo biedt De Elshorst, naast het houden van varkens, groepsaccommodaties, excursies en huifkartochten aan. De bosboeren in Ravenswoude hebben een extra inkomstenbron uit het geven van advies aan beginnende natuurboeren. En het publiek is dol op de dieren. Buiten scharrelende varkens zijn niet zielig maar heel leuk om te zien. Langs fietsende toeristen stappen vaak even af om een foto te maken. Voor 17,50 euro kun je zelfs daten met een varken.

Het buitenvarken is echter meer dan een schattig tafereel en een duurzaam stukje vlees. Provincies en natuurbeheerders beseffen dat de dieren goed zijn voor de bevordering van de biodiversiteit. Het wroeten maakt dat zuurstof, voedingsstoffen en water beter door kunnen dringen in de bodem. Met het omwoelen van de grond ontstaan kale plekken waar de zaden licht krijgen en makkelijker kunnen kiemen. Bosplanten als hertshooi, mannetjesereprijs en veelbloemig veldbies en ook beuken, eiken en essen profiteren hiervan. Meer diversiteit trekt insecten, vlinders en vogels die er eerder niet waren. Ook padden en kikkers gedijen. De kuilen in het bos die de varkens met hun buik maken om in te liggen zijn zo glad dat er na een regenbui water in blijft staan. Zo ontstaan poelen waar padden en kikkers zich in voort kunnen planten. Dit levert de boeren punten op voor ‘natuurdoelsubsidies’.

Ook boeren kunnen er baat bij hebben. Op bouwland doen de buitenvarkens zich na de oogst tegoed aan de oogstrestanten, wortelonkruiden en insecten. De enige grondbewerking die de boer nog moet doen is het land egaliseren. Zo zijn er geen of minder zware machines nodig.

Japanse Duizendknoop

Gemeenten zetten hier en daar varkens in bij de bestrijding van hardnekkige onkruiden als Berenklauw en de Japanse Duizendknoop. Vooral met de Berenklauw maakt het buitenvarken korte metten, omdat het niet alleen de bovengrondse delen eet, maar ook de penwortels. De Japanse Duizendknoop is een lastiger verhaal vanwege de taaie wortelstokken, zo blijkt uit een proef in de gemeente Renkum. Drie jaar geleden begon de gemeente met het inzetten van Bonte Bentheimers – een ander buitenvarken - op een brede groenstrook tussen weg en spoorlijn. Inmiddels heeft de derde lichting zijn werk gedaan en is naar het slachthuis afgevoerd. Langdurige begrazing blijkt nodig, want het duurt een tijd voordat de worstelstokken helemaal zijn uitgeput. Bovendien kun je niet zomaar overal varkens neerzetten.

Toch is de gemeente enthousiast. De buitenvarkens passen in het streven om oude rassen meer bekendheid te geven en om meer bewustzijn te creëren over hoe we ons vlees produceren. Vrijwilligers (de ‘hulpboeren’) houden een oogje in het zeil en dat schept binding in de buurt. Dat de varkens na afloop geslacht gaan worden, is geen probleem meer, zelfs niet voor de vegetarische hulpboer, aldus de beleidsmedewerker van de gemeente.  

Ziektes

Ziektes kunnen een probleem zijn, maar “we hebben nog nooit uitval gehad”, vertelt Richard Pelt van Boeren in het Bos. “In het bos kunnen de varkens leven zoals ze van nature gewend zijn. Hun microbioom is hierdoor gevarieerder en hun weerstand groter. Ze hebben volop de ruimte, kunnen het eten zoeken waar ze het meest behoefte aan hebben, ze vervelen zich nooit en hebben geen last van stress. Natuurlijk zit er wel eens een zwakker exemplaar tussen. Die gaat gewoon wat eerder naar de slacht, maar medicijnen geven wij uit principe niet. Zo houd je de populatie sterk.”

Ook Bruurs garandeert antibioticavrij vlees. Wel ent hij zijn dieren in tegen vlekziekte en coli, en hij geeft ze een ontwormingsmiddel. Waar Bruurs zich pas echt zorgen over maakt, is de kans dat wilde varkens via aangrenzende natuurgebieden uit Duitsland en België dierziekten als varkenspest overbrengen naar Nederland. Onlangs kwam er bij Baarschot al een wilde keiler – mannelijk wild zwijn - uit België de grens over. Ecoducten kunnen het risico van zwervende wilde dieren vergroten. 

Dat de buitenvarkens officieel ook ‘hokdieren’ zijn, maakt het er voor de natuurboeren niet eenvoudiger op. Zij moeten aan dezelfde regels voldoen als in de intensieve fokkerij. Iedere aparte schuilkeet of plaggenhut zou bijvoorbeeld een luchtwasser moeten hebben. En voor de bedrijfslocatie moet een Uniek Bedrijfs-Nummer (UBN) aangevraagd worden. Voor het vervoer tussen natuurgebieden is echter nog niets geregeld.

Bruurs zette zich jarenlang in voor verandering van de regels. In maart dit jaar werd zijn moeite beloond met de ondertekening van een Green Deal, een overeenkomst met de Rijksoverheid, de Provincie Noord-Brabant, ZLTO, de gemeente Hilvarenbeek en de HAS in Den Bosch. Martijn van Dam, toenmalig staatssecretaris van Economische Zaken, kwam hoogstpersoonlijk zijn handtekening zetten onder de deal, die bestaat uit een intentieverklaring dat de betrokken partijen zich zullen inspannen om obstakels in de regelgeving op te lossen. Ook werken de bosboeren, met hulp van studenten van de HAS in Dronten, aan een kwaliteitshandboek. Een concreet resultaat is alvast dat de komende vijf jaar het nulbeleid voor wilde zwijnen in de regio gehandhaafd blijft; gesignaleerde exemplaren mogen worden afgeschoten. Hiervoor is dan wel een goed beheersplan met de grondeigenaren nodig. Hoe dan ook: uiteindelijk zal het landelijke overheidsbeleid doorslaggevend zijn voor het voortbestaan van de buitenvarkens

 

KADER Voedselbossen

Mariska Slot en de andere twee bosboeren zijn aanhangers van ‘natuurlijke landbouw’, waarbij ze zich laten inspireren door Mark Shepard van de Restoration Agriculture Development, de beweging voor 'herstellende landbouw'. Deze natuurlijke landbouw verbindt twee tegengestelde zaken, aldus Mariska Slot: “‘Natuur’ staat voor ‘zonder menselijk ingrijpen’, en ‘landbouw’ staat voor ‘het kweken van producten door de mens’ waarbij een beetje ingrijpen in het natuurlijke proces onvermijdelijk is.” In de natuurlijke landbouw is veeteelt is geen doel op zich, maar maakt deel uit van een groter geheel: het voedselbos. Dat is een door mensen gecreëerde gemeenschap van bomen, struiken, planten in diverse etages, schimmels en dieren, met een grote diversiteit aan eetbare soorten. In zijn ideale vorm is een voedselbos zelfvoorzienend en bevat het vooral inheemse planten. Het vereist wel een ander eetpatroon: bijvoorbeeld brood van kastanjemeel in plaats van tarwe. Mest en bestrijdingsmiddelen zijn in voedselbossen niet nodig. Door de vele productielagen per plot (bomen, struiken, eenjarigen en wortels) is de output 1,7 maal dat van een gangbaar perceel. Zo produceren voedselbossen niet alleen hoogwaardig voedsel, maar ze creëren ook gevarieerde landschappen, een hogere biodiversiteit, zelfvoorzienende en zelfregulerende ecosystemen, schoon water en schone lucht en duurzamer geproduceerde producten. Slot: “Minder en duurder, maar wel beter.”

 

Meer informatie:

www.boereninhetbos.nl
www.elshorstpuur.nl
www.vin.nl

 

 


Janneke Donkerlo  Onderzoekende journalistiek  M 06 26898775  E   KVK 34368041

©2018