Samenleving

Op zoek naar voedsel en veiligheid

In de oorlogswinter van 1944/1945 trokken steeds meer mensen uit de randstad naar het platteland, onder hen veel kinderen. Hier was nog wel voedsel. Bovendien was de kans op het veilig halen van het eind van de oorlog groter. Een oproep in de Sa! op 17 februari van dit jaar leverde meerdere verhalen op.

Tekst: Janneke Donkerlo (m.m.v. Gosse van den Bos)
Foto’s: Archieffoto’s familie Wijnstra 

3 mei 2016

Zo was er een hongerige Amsterdamse moeder met haar vijfjarige dochtertje. Moeder en dochter vonden eten en onderdak bij ene Grietje Bouma, geboren in 1893. Volgens de weduwe van de voormalige bakker uit Wijnjewoude werd zij Lytse Grietje (kleine Grietje) genoemd omdat ze klein was en een bocheltje had. Het bevolkingsregister van Opsterland vermeldt dat 'mejuffrouw Grietje Bouma' vanaf 1938 op Wijnjeterp 270a woonde. In 1944 moet zij 51 zijn geweest. Een speurtocht bracht ons niet dichter bij het leven en de ervaringen van Lytse Grietje.

Wat we wel met zekerheid kunnen zeggen, is dat de Amsterdamse kleuter het in Wijnjeterp enorm naar haar zin moet hebben gehad. Dat weten we door een krantenbericht in de Heerenveense Koerier van 1951. Het meisje was inmiddels elf jaar en het gezin woonde natuurlijk allang weer in Amsterdam. Met haar moeder wilde het alleen niet altijd zo boteren. Op een dag kreeg het meisje het zo met haar moeder aan de stok dat ze besloot weg te lopen. Toen het avond was, leegde ze haar spaarpot en haalde haar jongere broertje uit bed. Samen vertrokken ze uit Amsterdam met de veerboot – de Jan Nieveen – naar Lemmer. Vanuit Lemmer namen ze de bus naar Lippenhuizen, en vandaar liepen de kinderen helemaal naar die lieve mejuffrouw Bouma aan wie het meisje zulke goede herinneringen bewaarde.

Lytse Grietje moet zich wel erg gevleid hebben gevoeld, maar heeft de familie van de kinderen laten weten dat het tweetal terecht was. De volgende dag werden ze opgehaald en teruggebracht naar Amsterdam. Vandaar ontbreekt helaas ieder spoor. Hoe de kinderen heetten en of ze nog leven, we weten het niet. Graag hadden we hun herinneringen opgetekend.

Haagse vrienden

Wel stuitten we op andere verhalen die evenzeer het vertellen waard zijn. Zoals de lotgevallen van de inmiddels overleden drie Haagse vrienden die eind 1944 naar het noorden trokken. Volgens Martin Jansen - een nog in leven zijnde broer – is het waarschijnlijk dat het drietal met opzet de Friese Wouden koos omdat een zus van een van de jongens daar in het verzet zat. De jongens heetten Henk Jansen, Wim Hamer en Martin Hofman. Ze waren al - of bijna -18 jaar.

Ondanks de kou droegen ze korte en halflange broeken, om jonger te lijken zodat ze niet opgepakt zouden worden voor de Arbeitseinsatz. Ze droegen vervalste persoonsbewijzen bij zich waarin stond dat ze 15 en 16 jaar waren. In Den Haag stapten ze op de trein naar Gouda en trokken vandaar al lopend en liftend richting Utrecht. Onderweg mochten ze meerijden met een sympathieke Duitse vrachtwagenchauffeur die hen, verstopt achter drums en kisten, tot over de Zwolse IJsselbrug bracht. Eenmaal in Meppel aten ze – zo vermeldde Henk later in een brief aan zijn ouders – in een kroeg hun eerste warme maaltijd van rode kool met aardappelen en gebakken bloedworst. Een godenmaal!

Na een paar dagen klopten ze op goed geluk aan bij een boerderij in Terwispel. “Der sieten by ús wol faker minsken oan tafel,” vertelt de nu 83-jarige boerenzoon Wietze Wijnstra. “Dy ite mei, sei myn heit dan, it is fiere famylje. Ik wie 12 jier en hoechde net alles te witten fûnen myn âlders.” De jongens konden er een nachtje blijven, maar moesten de volgende ochtend vertrekken. Rondhangend bij de brug van Terwispel trof de 16-jarige Fokje Wijnstra, de nicht van Wietze, het drietal bibberend aan. Waarom zouden ze de knapen niet op kunnen vangen? Fokje en Wietze drongen bij hun ouders aan op een familieberaad. Het resultaat was dat de jongens werden verdeeld over drie families Wijnstra. Want door hun vermeende jonge leeftijd vormden ze weliswaar geen gevaar – op het helpen van onderduikers stonden zware straffen – maar drie jongens voor een gezin was wel veel.

Wim trok in bij de ouders van Wietze aan de Bûtewei. Henk werd opgenomen door weduwe Wijnstra (Beppe) die met haar twee ongetrouwde zoons aan dezelfde straat woonde. Martin kreeg onderdak bij de ouders van Fokje Wijnstra. De boerderij van Fokjes ouders stond – met nog zeven andere huizen - aan een afgelegen deel van de Compagnonsfeart: De Warme Hoek. De 88-jarige Fokje was destijds 16: “Wy hiene gjin elektrisch en gjin stromend wetter. Doe’t myn âldelju jong wiene, kaam der hjir in kroegje. Koest der foar in sint dûnsje op harmonikamusyk. Lei der iis, dan wiene der in soad riders. Dêr hjit it ek 'De Warme Hoek'.” Ondanks de afgelegen locatie, was het evengoed een flinke boerderij. Fokje: “Wy hiene 20 kij. Dat waarden der wol minder, yn de oarloch moasten wy alle jierren in ko slachtsje litte foar de voedselvoorziening.” De bezetter gaf de boeren nog meer plichten, zo werden de veeboeren ook akkerbouwer. Ze moesten verplicht haver en gerst verbouwen. Bovendien hadden de Duitsers op hun goede paarden voorzien. Fokje: “Mar der wie wol altyd genôch iten. Myn mem ruile geregeldwei in klúte bûter foar kofje, tea en klean.”

 

In het begin zochten de vrienden elkaar nog wel op, maar gaandeweg werden ze steeds voorzichtiger. De laatste maanden van de oorlog hield iedereen zich zoveel mogelijk afzijdig. Bovendien wisten de families intussen ook dat jongens wel degelijk al 18 waren. Ze moesten daarom extra oppassen. Verraad kon de families fataal zijn. Wietze: “Do koest eins net ien fertrouwe. Net omdat der safolle NSB'ers wiene, maar je koene noait witte en nijs gie snel oer de dyk.” Er werd een vluchtplan opgesteld, voor het geval dat. Gelukkig hebben ze daar nooit gebruik van hoeven maken.

De jongens sliepen bij 'hun' families op de zolder of in het kamertje boven de koeien. Overdag werkten ze mee op de boerderij. Houtjes hakken. Koeien melken. Dieren voeren en stallen schoonhouden. Stadse kapsones leerden ze snel af. Fokje: “Op in dei woe Wim mei myn heit mei it lân op. Mijn mem woe dat der in lange ûnderbroek oandie, it wie kâld. Mar dat hie der net yn ’t sin, de ûnderbroek wie fierstente grut. Dan giest net mei, sie myn heit plan út. Der siet foar Wim neat oars op as de ûnderbroek oan en mei tou om de middel fêst bine. Doe koe der mei. Letter ha wy der noch om lake, de ûnderbroek foldie sa goed, hy woe him net wer út ha.”

 

Sa_Fokke_Wijnstra

Moederziel alleen

Niet iedereen heeft zulke plezierige herinneringen als de Haagse vrienden in Terwispel of de vijfjarige kleuter in Wijnjeterp. De nu 85-jarige Grada Koenders uit Amsterdam werd als 14-jarig meisje in de hongerwinter door haar vader op een avond meegestuurd met een vrachtwagen. Grada: “Het werd voor mij beslist, ik had er niets over te zeggen. Maar ik had wel gezien dat mijn vader erg mager was geworden. Elke mond voeden was er een te veel.” Onder het zeil van de aanhanger lagen een paar mannen. Haar vader stak een ervan een pakje sigaretten toe: of hij onderweg op zijn dochter wilde passen. De chauffeur zou Grada met haar fiets afzetten in Sneek. Vandaar moest ze dan nog 12 kilometer naar Woudsend fietsen waar ze onderdak zou krijgen bij familie van kennissen. Ze herinnert zich het steenrode kapertje (mutsje) dat haar moeder speciaal voor de reis had gebreid. En dat er uiteindelijk wel 50 mannen onder het zeil vandaan kwamen. Toen de vrachtwagen eindelijk stilstond, bleken ze in de stad Groningen te zijn in plaats van in Friesland. Daar stond ze, moederziel alleen.

Grada  is toen – met de landkaart in gedachten – in weer en wind van Groningen naar Leeuwarden gefietst. Vandaar naar Sneek. Na drie dagen was ze eindelijk in Woudsend. Onderweg sprak een iemand haar aan toen ze tegen een hek stond uit te rusten. 'Tut, tut meisje, wat doe jij hier?' had hij gevraagd en hij had haar twee boterhammen gegeven. In Groningen en Leeuwarden had ze bij voorbijgangers kunnen overnachten. 

Maar in Woudsend kwam ze terecht bij vreemd volk dat een taal sprak die ze aanvankelijk niet verstond.

Grada: “De mensen waren heus wel aardig, maar het was zo anders dan thuis. De moeder van het gezin lag alle dagen ziek op bed. Overdag hielp ik mee in het huishouden; ik deed wat me gevraagd werd zoals mijn moeder me had geleerd. Maar inwendig leefde ik in een roes. Ze waren echt niet slecht voor me, maar ik gruw nog als ik terugdenk aan de rand van de 'tonnetjes' die ik schoon moest maken.”

Nadat het noorden op 13 april door de Canadezen was bevrijd, hoefden de Haagse jongens in Terwispel en Gorredijk zich niet meer schuil te houden. Het was lente, het leven lachte hen toe. Zodra ook het westen bevrijd was, keerden ze terug naar de Randstad. Ze namen nuchter afscheid van elkaar bij de brug van Terwispel, van waar het binnenschip van Vleeshouwer de jongens naar Leeuwarden zou brengen. Daar zouden ze het boemeltje nemen naar Stavoren en met een schip naar Enkhuizen varen. Tot slot over land terug naar Den Haag.

Kort daarna ontving Fokje een brief van Henk. Heimelijk had hij een oogje gekregen op de struise boerendochter. Of ze verkering met hem wilde. Er volgde een periode met wederzijdse bezoeken. De ouders van Henk kwamen kennismaken met de ouders van Fokje die erg op haar gesteld raakten. Tijdens hun bezoek sliepen de ouders in een bedstee op de boerderij van Beppe. Maar de verkering hield geen stand. Fokje: “Henk waard wer in stêdsjonge, wy groeiden út elkoar.” Martin, het broertje van Henk, bleef in zijn jongensjaren, wel contact houden. In de zomervakanties kon hij zich uitleven: hooien, koeien melken en van de ene wei naar de andere brengen. Daarna verloor hij de Friezen een tijd uit het oog. Totdat hij acht jaar geleden het contact met Fokje herstelde. Sindsdien komt hij haar ieder jaar opzoeken.

En hoe verging het de zo gewaardeerde Lytse Grietje Bouma? Zij overleed in 1958 op 65-jarige leeftijd en werd begraven op het kerkhof van Wijnjeterp.


Janneke Donkerlo  Onderzoekende journalistiek  M 06 26898775  E   KVK 34368041

©2017